Zandplanten
Het is grappig. Vroeger als kind was ik nooit zo van het strand. Je ging dan wel eens, en dan probeerde je net als iedereen met hun hond, cavia en calathea van de zon en zee te genieten. Het constante geschreeuw, de drukte in strandtenten en de chaos in de ogen van ouders als de zilvermeeuwen besluiten een hulpeloos frietje uit de handen van hun peuter te grissen… Bleek niets voor mij. En toen ik eenmaal de vrije wil had om te kiezen, zag ik het strand nauwelijks meer.

Fascinatie
Maar nu ga ik vrijwillig. Verslaafd geraakt aan de kleine steltlopers die van dit soort plekken afhankelijk zijn. Het is gek hoe dat werkt. Van niet weten dat ze bestaan naar ongeduldig aftellen tot een wederzien. Verslaafd dus. Waar ik meestal in de winter ga, als de kans van verjaagde onderwerpjes door jetski’s en honden lager is, heb ik nu genoeg redenen om het eens zomers te proberen: een shot dopamine, nieuwe foto’s (de zomer was karig) en de hoop op iets ‘anders’.

De rode loper
‘Anders?’ Ja, want met een beetje mazzel lopen de strandlopers in zomerkleed. Het strandloperequivalent van korte mouwen en een zonnebrandlaag is soortafhankelijk, maar vertaalt vaak tot feller, opvallender, knallender. Een leuk contrast met de bruingrijze winterjasjes en nog best een grote kans zo in augustus.

Zandstrandsprint
Snel blijkt dat het strand vooral gevuld is met meeuwen en niet met strandlopers. Dat viel te verwachten. Die kleine zandstrandsprinters broeden hier niet, maar overwinteren hier, of landen hier tijdens de trek. Gelukkig vind ik op de aangelegde pier al snel wat steenlopers, in zomerkleed – net als ik – al staat het hun beter – die met een beetje geduld zo naar me toe wandelen.

Bijvangst
Na een leuke sessie vervolg ik mijn weg. Honderd meter verderop lukt het mij nog net om te anticiperen op een achteroverslaande hengel, door een onoplettende visser. Het tripje over de pier gaat me wat te snel, want naast de steenlopertjes heb ik nog geen steltjes gezien. Niet heel erg, want er is altijd wel bijvangst. Een grote stern en een juveniele visdief, en een hele reeks witte kwikstaarten die de winterse oeverpiepers vervangen. Toch grappig.

Kanoetenkooi
Maar echt aan mijn trekken kom ik niet. De uiteindelijke steltaanvulling op het groepje steenlopers? Slechts één bontje – slecht gepositioneerd – en drie overvliegende kanoeten in prachtig koperrood zomerkleed die jammer genoeg niet landen. Gut, wat had ik die graag weer voor mijn lens gehad. Maar prima, ik kan niet alles hebben. Gelukkig hebben we de foto’s van de vorige keer nog, toen ze het voorbeeld van hun drieteenvriendjes volgden en behoorlijk dichtbij durfden te komen.

Moeilijk
Die tolerantie van strandlopers is misschien wel de voornaamste oorzaak dat ik zo verslaafd aan ze ben. Ik heb inmiddels een andere steenloper gevonden die rustig op drie meter aan het zonnen is. Die propjes leggen duizenden kilometers af, altijd etend, altijd op weg. En toch nemen ze de tijd om nieuwsgierig naar een fotograaf toe te lopen. Vind ik bijzonder. Maar het maakt me ook bewust van het feit dat deze groep vogels ontzettend hard achteruitgaat. Door klimaatverandering, habitatverlies, en verstoring veranderen veel essentiële plekken op hun migratieroutes.

Nog veel willen
Het zet alles weer even in perspectief. Daar waar ik bezig ben met kijken hoe ik de onderwerpjes tegen de golven kan framen, of weer eens een poging doe om hun beweging vast te leggen met ICM, zijn zij bezig met iets veel belangrijkers: overleven. De pier wordt nu echt drukker, en gelukkig kiezen de diertjes ervoor om op onbereikbare plekken te gaan zitten. Ik zal ze laten.

Tegen elven is het inmiddels 28 graden, en bovendien erg druk. Met de nodige zweetdruppels druip ik af. Een kindje kijkt nog even hoopvol omhoog en vraagt of ze met mijn camera een foto mag maken. Nee. Gaan we niet doen. Maar wel wijs ik haar nog even op die strandlopers in zomerkleed. ‘Mama! Meneer zegt dat dat een steenloper is!’ Ik zie dezelfde blik aan verwondering die ik stiekem de hele dag ook al draag. Bedankt, vogeltjes. Tot gauw.





