Verwaarloosd dichtbij
Het was überhaupt geen groots fotojaar. Een fulltime baan, slecht-weer-weekenden, een suboptimale eerste vogelreis en een lens die op zijn best onbetrouwbaar was, en op zijn slechts onbruikbaar leek. Resultaat? Minder buiten, minder foto’s, minder plezier.
Toch is het vreemd dat juist deze plek – dichtbij en vertrouwd – naar de achtergrond schoof. Want het is toch de plek waar het vuurtje voor mijn grootste hobby’s, vogels kijken en fotograferen, is uitgegroeid tot een steekvlam die ik voor de rest van mijn leven niet meer gedoofd krijg. Nee, dit jaar moet dat anders. Minder najagen, meer ‘om te hoek’. Geen grootse belofte, maar een simpel voornemen: het park, ‘mijn’ park, weer serieus nemen.

Houvast
Het park is ook wel veranderd. Of, wellicht is mijn blik dat. Fatbikes scheren over smalle paadjes en net uitgetrapte joints smeulen nog wat na. Een bankje dat ik eerder associeerde met de grote bonte specht die er toen eens opzat, ruikt nu vaker naar alcohol dan naar mos. En de laatste keer dat ik met enige zorg de politie bel vanwege een klein incident, zal nog wel in de toekomst liggen.
Maar toch trekt het park me nu meer. Vanwege de sneeuw? Vast. Maar ook omdat ik me realiseer dat ik hier, tussen de fietsen en honden door, toch al zoveel moois heb gevonden. En uit mijn parkpraatjes blijkt dat die vogels niet alleen voor mij houvast zijn – al lijkt dat houvast zich voor anderen te concentreren rond één en dezelfde soort.

IJs(vogel)gekte
“En, heb je de ijsvogel al gezien?”
“Mijn vrouw zag gisteren een ijsvogeltje!”
“Wat is het meest bijzondere vogeltje dat je ooit hier hebt gezien? Voor mij de ijsvogel!”
Het is slechts een kleine greep uit de ijsvogel-opmerkingenton deze week. Ik snap het ook wel: ijsvogels zijn gaaf, en we hebben geluk dat ze hier wonen. De romanticus in mij waardeert de liefde van niet-vogelaars voor een vogeltje ook – net als de tips die vrijwillig mijn kant op worden geslingerd. Maar de cynist in mij moet ik soms even terugfluiten. Niet reageren met “Die zie of hoor ik elke ronde”. Maar waardering uiten voor hún waardering. Even terugdenken aan hoe dat voor mij was, toen ik jaren geleden hier mijn eerste goudvink vond.
Nee, enthousiast wordt men meestal niet van een heggenmus of merel. Maar dat hoeft misschien ook niet. Al zag ik laatst wel wat fonkeloogjes toen ik iemand door mijn verrekijker een groep sijsjes liet bekijken..
TSIII …. TSI-WHIIHHH.
“Oh, nu je het er toch over hebt- dat is het ijsvogelroepje.”
“Niet waar!”
Ik betrap ook mezelf op een lichte hartslagversnelling.
“Ze zijn ook wel mooi..”

Mees-tal
Misschien is dat ook wel het verschil. Waar veel parkpraatjes blijven hangen bij die ene soort, is mijn blik natuurlijk flink verbreed. Niet direct, maar gaandeweg.
Want, over speciale parksoorten gesproken. Wat ik allemaal al niet voor bijzonders heb gevonden. Ruim een jaar geleden een bladkoning, die zich alleen liet horen (tsie-wiet). Minstens twee witkopstaartmezen op de dag van het inleveren van deze column. Goudvinken, appelvinken. Of die ene zwarte mees, tussen de pimpels en de staarten. Nee, het statement ‘leuk spul alleen elders’ heeft eigenlijk nooit gegolden.

Het laatste kunstje
Oh ja – die nieuwe lens. De aanhoudende frustraties met mijn ‘oude’ hebben geleid tot een gebrek aan vertrouwen, en uiteindelijk een echtscheiding. Heel rouwig ben ik daar niet om, want die ‘nieuwe’ heeft zich al terugbetaald door met gemak scherpe parkroodborstfoto’s op 1/125 seconde te leveren. Dat had ik met mijn oude niet gedurfd.
Het afscheid kreeg zelfs een onverwacht mooi slot. De ‘nieuwe’ was besteld, maar nog niet geleverd, toen er een onverwachte wintertaling uit de struiken langs de ijsrand opdook. Van de zo’n driehonderd foto’s waren er wonder boven wonder nog een aantal scherp. Bedankt, park. Poëtisch, ergens. New year, new lens, new me.

Vuurwerkshow
Fotograferen is hier trouwens zelden een solitaire bezigheid. Mijn verrekijker, camera (en soms slechts mijn gezicht) zorgen voor een soort aanspreekbaarheid. Net na mevrouw wintertaling ook weer.
Woooee-hoe hooee-hoee hoee-hoe.
“Luister eens.. duiven.”
Ik pak die opmerking, die een moeder aan haar dochter meegeeft, nog net even op. Een lach mijn kant op en een blik op mijn verrekijker interpreteer ik als toestemming.
“Weten jullie ook wat voor duiven?”
“Ik dacht gewoon van die grote. Die, hoe heten ze nou? Houtduiven? Niet die bij het winkelcentrum.”
“Bijna! Het kleinere neefje. Een holenduif!”
Moeder en kind luisteren aandachtig.
“Je herkent het geluid vrij gemakkelijk. Het is alsof ze onder de indruk zijn van een vuurwerkshow.”
“Wow, nu je het zegt. En ze waren wat schuwer en schaarser, zei je. En dat gewoon hier in het park?”
“De meeste mensen zijn alleen benieuwd naar de ijsvogel.” grijns ik. “Ben blij dat ik eindelijk mede-holenduiffanaten heb ontmoet.”

Wèèèèh
Omdat ik nu toch plots bekend stond als vogelexpert ging het gesprek nog even door.
“Weet je dan ook wat dat geluid maakt?”
“Gaai..”
KI-eh KEH KIE KEH Ki-EH
“Oh! Halsbandparkieten!”
Drie jaar geleden waren het er een stuk of vijf/zes. Dit jaar al richting de twintig. Ik maak me er inmiddels niet zo veel druk meer om – uitroeien gaat niet gebeuren, en andere holebroeders doen het prima.
“Waarom vliegen ze zo bij elkaar nu?”
Ik hoopte al op die vraag. De sperwer had ik al zien overvliegen. Nu kreeg ‘ie er zeventien luidruchtige escorts bij. Arm beest.

Over sneeuwpoppen en waterpiepers
Tegen de tijd dat de gesprekken verstommen en het park weer even van zichzelf lijkt, is het zondag – de laatste goede sneeuwdag. Ik kom mijn goede voornemen na en loop opnieuw een rondje.
Na nog geen tien minuten vliegt er een bruin ding van het witte veld de boom in.
“En, wat maak je ervan?”.
Ik stond nog enigszins beduusd door mijn viewfinder te kijken toen ik op automatische piloot de vraag beantwoordde.
“Waterpieper..”. Mijn reactie klonk wat meer ‘vragend’ dan bedoeld, gezien de verschillen tussen ‘water- en gras’ nog even besproken werden waardoor ook mijn mede-verrekijkerdragers tot die eerste conclusie kwamen. “Dat is een nieuwe voor het park…”
Niet dat het daarom gaat, natuurlijk, ‘een nieuwe’. Maar gaaf is het wel, om op de voorspelde laatste dag winterwonderland nog even een onverwachte gast tussen de afbrokkelende sneeuwpoppen te vinden. Net als al mijn eerdere waterpiepers was dit diertje alert, dus keek ik wel uit met dichterbij sluipen. Niet dat het nodig was. Met alle liefde nam ik zo veel mogelijk besneeuwd veld in mijn foto op, om de vogel daarna met rust te laten.

Is het park nu ‘bijzonder’? Ik weet het niet zo goed. Ik weet niet zo goed welk deel nostalgie is, welk deel realiteit is. Het zal een combi zijn. Mijn voornemen lijkt mijn blik al wel wat te hebben veranderd. Waar ik eerder verder zocht, hoop ik nu wat beter te kijken.
Ik stamp nog even op de straat, waardoor de sneeuwresten van mijn schoenen glijden.
Zu-zu-zu Zriee-zuWIE!
“Hé, roodborstje!”






2 reacties
Alsof je mijn rondje door “mijn” plekje beschrijft…maar dan mét geluid, humor en kennis! Heerlijk dit!
Hi Pauline, dank voor je betrokkenheid, ook van de ‘andere’ kant 😉 Ik had al zo’n idee dat het een stukje voor jou zou zijn.. fijn dat mijn verhaal je aanspreekt! Jij zal ook de nodige parkpraatjes al achter de rug hebben 😉