Als je veel in het donker fotografeert, komt er een moment waarop je onder een heldere hemel staat en precies weet waar een nevel, komeet of een bepaalde ster/planeet ergens moet staan, maar dat je eigen ogen het gewoon niet oppakken. Je maakt een testfoto, ziet het object netjes op je scherm verschijnen, en vraagt je vervolgens af waarom datzelfde object met het blote oog totaal onzichtbaar leek. De reden is eigenlijk heel simpel: je kijkt er te rechtstreeks naar. Ons oog werkt in de nacht compleet anders dan overdag, en zodra je begrijpt hoe dat zit, snap je ook waarom perifeer kijken zo’n enorme meerwaarde heeft voor iedereen die de nacht in trekt met een camera. Natuurlijk kunnen wij niet alle nachtelijke objecten zien, sommigen zijn gewoon echt te zwak, maar perifeer kijken helpt je om bepaalde objecten beter te kunnen zien.
Eigen oog
Perifeer kijken betekent dat je niet precies op het object kijkt dat je wilt zien, maar er net een stukje naast. Dat klinkt misschien onnatuurlijk, maar het sluit eigenlijk perfect aan bij de bouw van je eigen oog. In het midden van ons zicht zitten de kegeltjes, cellen die geweldig zijn voor kleur en detail wanneer er genoeg licht is, maar die bijna niets kunnen zodra het donker wordt. De staafjes, de cellen die juist gevoelig zijn voor weinig licht, liggen voornamelijk in de periferie van het netvlies. Door net iets langs het object te kijken, valt het licht daarvan op dat lichtgevoelige gebied en zie je opeens structuren verschijnen die eerst onzichtbaar waren.

Subtiele oogbewegingen
Het toepassen van perifeer kijken is eenvoudiger dan veel mensen denken. Het begint ermee dat je je blik zo’n vijf tot tien graden naast het object richt. Iedereen heeft een iets andere zone in de periferie die het beste werkt, dus het loont om dit te oefenen. Daarna draait het vooral om geduld. Je ogen hebben tijd nodig om volledig donkeradaptatie te bereiken; pas na twintig tot dertig minuten werken je staafjes optimaal. Fel licht vanuit een zaklamp, je telefoonscherm of zelfs de display van je camera kan dat proces meteen weer resetten, dus het loont om echt zorgvuldig met licht om te gaan. Daarbij helpt het om kleine, subtiele oogbewegingen te maken. Je blik hoeft maar een fractie te verschuiven om de staafjes wat extra prikkeling te geven waardoor een zwak object ineens veel duidelijker wordt.
Sommige objecten lijken bijna ontworpen voor perifeer kijken. Denk aan de buitenste structuren van de Orionnevel, de Plejaden of zwakke spiraalstelsels zoals M33 (andromeda). Zelfs kometen, die vaak net te zwak zijn om direct te zien, worden veel zichtbaarder met deze techniek.
Kortom, leuk om te proberen als je weer eens onder de sterren staat! Succes!




Eén reactie
Andromeda is M31.