Het boswitje (Leptidea sinapis) dook in de vorige eeuw onregelmatig op en verdween dan weer. Daarna heeft de vlinder zich in de jaren 90 gevestigd in het Zuid-Limburgse heuvelland. De vlinder bereikte Nederland via het Belgische deel van de Sint-Pietersberg.

Naast alle bedreigingen van bijna alle Nederlandse vlinders is het ook prettig om nieuwe soorten te mogen verwelkomen. Tot dusver breidt de vlinder zich over Nederland nog niet sterk uit. Het boswitje komt in België voor in een groot deel van de Kempen en in Wallonië. In Europa heeft het boswitje een brede verspreiding.

De ideale biotoop voor het boswitje bestaat uit kruidenrijke, voedselarme graslanden, open struwelen en zonnige bosranden. Vaak worden ze ook gezien in beschutte kalkgroeves. Hoewel de vlinder honkvast is, worden er heel soms zwervers op grote afstand gesignaleerd.
In hetzelfde leefgebied van het boswitje zie je soms ook andere zeldzame bewoners, zoals de argusvlinder, het dwergblauwtje en de koninginnenpage.

Kenmerken boswitje
Het boswitje is een kleine ranke dagvlinder en heeft een typische ‘zwakke’ vlucht. De vleugels zijn aan de uiteinden sterk afgerond. Op de voorvleugelpunt zie je een vlek die vooral bij de mannetjes donker is en bij de vrouwtjes lichter. In tegenstelling tot veel andere witjes (zoals het koolwitje) klapt het boswitje direct bij de landing zijn vleugels strak dicht. De bovenzijde van de vleugels zie je dus alleen bij de vlucht.
De eitjes worden voornamelijk afgezet op de gewone rolklaver, veldlathyrus, vogelwikke en andere vlinderbloemigen die in een lichte schaduw groeien.
Er zijn twee generaties per jaar die elkaar snel opvolgen. De voorjaarsgeneratie vliegt van begin april tot midden juni. De zomergeneratie vliegt van midden juni tot eind september, met een piek tussen halverwege juli en begin augustus.















