Korenbouten
De familie van de korenbouten heeft een flink aantal vertegenwoordigers in ons land. De soorten ogen heel divers, maar ze zijn vaak middelgroot en compact gebouwd. Doordat de meeste soorten kleurrijk zijn, kun je ze goed van elkaar onderscheiden. De viervlek, oeverlibellen en alle heidelibellen vallen onder andere binnen deze familie.

Kenmerken Bruine korenbout
Jonge dieren hebben een oranje achterlijf, met een donkere rugstreep die naar de achterzijde steeds iets breder wordt. Vaak zijn er donkere vleugeltopjes en daardoor zijn ze gemakkelijk herkenbaar. De voorrand van de vleugel heeft een mooie oranje-gele kleur waardoor ze heel kleurrijk overkomen. Mannetjes verkleuren al vrij snel en worden veel donkerder met een blauwe berijping. Een volwassen uitgekleurd mannetje is dan snel te verwarren met een gewone oeverlibel. Vrouwtjes verkeuren naar meer donkerbruin. Vooral de jongere dieren zijn voor de fotografie het fraaist.

In het veld
De bruine korenbout was aanvankelijk een vrij zeldzame libel in Nederland, maar is nu vrij algemeen in diverse gebieden. Hoofdaccent ligt in laagveengebieden, maar ook bij sloten en kanalen in vrijwel het gehele land zijn ze aanwezig. In het laagveen kunnen ze talrijk zijn, maar langs de kust zijn ze zeldzaam. Ook in België is de bruine korenbout vrij algemeen. Het is een warmte minnende soort.
Het uitsluipen begint al vrij vroeg in mei. Larven kruipen langs stengels uit het water omhoog, voordat de libel uit het larvenhuidje kruipt. Soms worden ook paaltjes in het water of stenen langs de oever gebruikt.

Verse kleurrijke jonge dieren zie je het meest in de tweede helft van mei. Je kunt de bruine korenbouten vrij gemakkelijk vinden langs de waterrand in het hogere gras of riet.

Daar overnachten ze ook. De vroege ochtend is, wanneer ze nog onder de dauw zitten, een mooi fotomoment. Ze gaan pas vliegen als ze voldoende zijn opgewarmd.
Met name de mannetjes gebruiken de oevervegetatie als rustplaats en uitkijkpunt. Soms op hogere plekjes en soms ook dicht op de grond. Vanaf deze plekken vliegen de mannetjes langs de oever. Zij verdedigen dan hun territorium fel tegen soortgenoten of andere libellen. Voor de fotografie zijn dit mooie kansen om ze vliegend te fotograferen.
De vrouwtjes verschijnen doorgaans pas later op de dag bij het water. Bij de paring grijpen de mannetjes de vrouwtjes in de nek. Na vorming van een paringswiel blijven de paartjes op stevige, langbladige oeverplanten zitten. De paring duurt doorgaans niet heel lang. Mannetjes paren met meerdere vrouwtjes.

Tijdens de paring krast het vrouwtje met haar poten een deel van de berijping van het achterlijf van het mannetje. Deze sporen zijn later goed te zien bij oudere mannetjes. Na de paring vliegen de libellen weg van het water en keert het vrouwtje terug om later de eitjes af te zetten.













