Ah, de kanoet. De – op man kemphaan na – grootste strandloper van ons land. Door die grootte vallen kanoeten in gemengde groepjes snel op. De vogel is plomp en staat vrij laag op de poten, met een meestal rechte snavel (maar lange, gebogen variant mogelijk!). In broedkleed hebben ze een roodoranje buik en kop. Bij mannetjes zijn die kleuren meestal feller. De poten van zomerkanoeten zijn donker. Door hun grootte, kleur en vorm zijn kanoeten in de zomer eigenlijk met niets anders te verwarren. In winter- of juveniel kleed zijn de poten grijsgroen en zijn de vogels voornamelijk grijs, zonder hint van rood. Volwassen dieren in winterkleed hebben een lichtgrijze buik en een wat donkerder grijze rug, De kop, borst en flanken zijn gestreept. Jonge kanoeten hebben een soort ankerpatroon op de schouderveren, en een perziktint op de borst en buik.

Kanoeten zijn continu op zoek naar eten, en doen dit gerust ook ’s nachts als het terugtrekkende zeewater allerlei schelp- en schaaldieren achterlaat. Als het tij ongunstig is zullen kanoeten rusten, soms in gigantische groepen van tienduizenden dieren bij elkaar. Deze grote groepen vormen een ander kenmerk van de soort; alleen de bonte strandloper vormt ook groepen van deze omvang. Broeden doen kanoeten niet in Nederland, maar op de arctische toendra. De soort is in het broedseizoen territoriaal en monogaam. De kuikens worden overigens door het mannetje opgevoed!

De kanoet is een echte langeafstandstrekker. Een groot deel van de populatie landt op de wegen van- en naar broedgebied op de Waddenzee, en een deel overwintert hier ook. Sommige kanoeten trekken echter door tot diep in het zuidelijk halfrond. Een van de ondersoorten kent een geweldig lange trek van hun broedgebieden in noordoost Canada tot aan hun overwintergebieden in het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika! De Nederlandse overwinteraars broeden voornamelijk in Groenland.












