De kneu is lid van de vinkenfamilie. Als een kneu zich goed laat bekijken, dan is dat ook vrij snel duidelijk te zien aan het ronde kopje en die korte, kegelvormige snavel, waar de vogel zaden mee verzamelt. Qua grootte is de kneu een stuk kleiner dan bijvoorbeeld de vink. Bovendien heeft de kneu een vrij slank postuur, meer zoals een putter, en een behoorlijk lange staart.
De kneu is seksueel dimorfisch, wat wil zeggen dat de geslachten er anders uitzien. Het volwassen mannetje heeft in de broedtijd een prachtig rood ‘baretje’ en een rode borst. De rest van het kopje is grijs. De kaneelbruine rug is egaal en ongetekend. Het vrouwtje mist de rode- en grijze delen, en maakt algeheel een bruinige indruk. Het kopje van het vrouwtje is dan ook bruin. Ook heeft het vrouwtje strepen op de luchtbruine borst en op de donkerder bruine kop en rug. De stuit is bij beide geslachten erg licht.

Kneuen zijn ook ontzettend vocaal. In vlucht laten ze vaak twee- of drietonige roepjes horen: te-TIT, te-te-TET. Het herkennen van het roepje vergt enige oefening. De zang is over het algemeen vrij rustig, maar divers, en omvat mooie fluittonen, trillers (bijna groenlingachtig), en ook kortere klanken die meer op het roepje lijken.
Kneutjes broeden in dichte struikgewassen, bijvoorbeeld in duinen, akkers met struiken en heide. Kneuen zijn sociaal. Zelfs in de broedtijd trekken verschillende paartjes graag met elkaar op, en kunnen ze zelfs in dezelfde struik nestjes hebben. Na de broedperiode vormen kneutjes grotere foerageergroepjes. Ook trekt de soort deels weg. De kneuen die bij ons broeden overwinteren bijvoorbeeld in Spanje en Marokko. Wereldwijd is de soort niet bedreigd. Kneuen kan je van zuid-Scandinavië tot aan midden China tegenkomen, afhankelijk van de tijd van het jaar. In Nederland is de soort de vorige eeuw flink achteruitgegaan door het verslechteren van onze duinen, heidevelden en cultuurlandschappen, waardoor de soort nu op de rode lijst staat.











