HOME < IN DE ZOEKER < SOORTEN
IN DE ZOEKER

Konijn

Geen zoogdier zo aaibaar als het konijn. Het is niet voor niets een van de meest gehouden huisdieren van Nederland. Maar de wilde versie heeft heel andere eigenschappen dan de tamme. Zo is hij nogal schuw. Toch kun je hem vrij gemakkelijk voor de camera krijgen als je iets van zijn leefwereld begrijpt.

Konijn
Speel met compositie en scherptediepte. Fotograaf: Bart Stornebrink
Delen

Wilde konijnen hebben voornamelijk een grijsbruine kleur, wildkleur of agouti genaamd. Konijnenharen zijn 2 tot 3 cm lang met een zwart puntje. De dekharen zijn beigebruin. De dichte laag van dunne wolharen die altijd tussen de dikkere dekharen te zien is, is bij konijnen altijd grijs (bij hazen wit). De dieren hebben ook een roodbruine vlek in de nek. De oren hebben een bruin puntje, de bovenzijde van de staart is zwartbruin. De buikzijde is blauwig grijs van kleur, de onderzijde van de staart is wit. Deze valt zeer op als hij wordt opgewipt. Sommige konijnen die maar half wild zijn kunnen wit of zwart zijn. Bij het wilde konijn zijn de oren maximaal tien centimeter lang en korter dan de kop.

Een voedster of moer is een vrouwelijk konijn. Deze is van het mannetje te onderscheiden, omdat haar lijf langer is en de kop minder grof. De rammelaar of ram is een mannelijk konijn. Deze is temperamentvoller dan de voedster. De rammelaar is meestal dikker en zwaarder en heeft een bredere kop. Het jong van een konijn heet een lamprei.

Het wilde konijn leeft voornamelijk in graslanden, open weilanden en heidegronden, liefst met een droge, losse, zanderige bodem. Ook komt hij voor in open bossen, aan de rand van landbouwgebieden en in zandduinen. Het konijn mijdt naaldbossen. Konijnen leven in holen en hebben daarom een voorkeur voor zandige bodems waarin het makkelijk graven is. Ze prefereren halfopen landschappen zoals perken, tuinen en bosranden en mijden vochtige terreinen zoals moeras en veen of zware klei, omdat ze daarin geen holen kunnen graven. Ook in open polderlandschap ontbreekt het konijn veelal. In de duinen zijn konijnen belangrijke grazers.

Meestal wonen de konijnen in uitgebreide, zelf gegraven gangenstelsels met vele gangen en kamers (wrangen), maar soms wonen ze in oude vossen- of dassenburchten. Een konijnenpijp is zo’n 7,5 cm in doorsnee. De ingang heeft een diameter van tien tot vijftig centimeter.

Een konijn is plaatstrouw en houdt geen winterslaap.

Konijnen houden geen winterslaap en dus geeft dat een mooi contrast als het sneeuwt.
Konijnen houden geen winterslaap en dus geeft dat een mooi contrast als het sneeuwt. Fotograaf: Bart Stornebrink

Konijnen eten graag bloemhoofdjes van paardenbloemen. Afgebeten, net opgekomen wintergraan kan het werk van konijnen zijn wanneer de beet schuin is. Vraat van konijnen, maar ook van hazen, is te herkennen aan stengels en takken die schuin en scherp zijn afgesneden met de lange voortanden. Wanneer een ree of hert een stengel afbijt, is er op het snijvlak een gerafelde of vezelige bovenkant te zien. Konijnen knagen dwars op de lengterichting van een stam of een tak en eten zowel schors als bast. Ook naalden van naaldbomen worden, vooral in de winter, afgebeten. Vraatsporen van hazen en konijnen zijn niet van elkaar te onderscheiden, behalve dat de reikwijdte (in de hoogte) lager is dan die van een haas. Beide knagen zowel aan loof- als aan naaldbomen. Omgevallen bomen worden soms geheel ontschorst.

Konijnen hebben voorvoeten met vijf tenen en lange achtervoeten met vier tenen. De duim is zo kort dat de afdruk ervan niet altijd goed te zien is. Alle nagels zijn even groot. Omdat de derde teen wat langer is, is de vorm van de prent wat spits aan de voorzijde. Er zijn geen voetkussens te zien. In spongen-galop worden de achtervoeten ver voor de voorvoeten geplaatst. Bij huppelgang worden de voorvoeten (schuin) naast elkaar gezet. Wissels (regelmatig belopen wildpaadjes) van konijnen zijn goed te herkennen aan de hand van de typische holenstelsels in de buurt. Wissels van konijnen zijn ongeveer 10 cm breed. Bij konijnen meestal in kruiden- of grasvegetatie.

Territoria worden verder gemarkeerd met urine en hopen keutels. De dominante mannetjes binnen een groep hebben de grootste klieren en zijn verantwoordelijk voor het meeste markeren. Ze kunnen een topsnelheid van 55 km/u halen, maar houden dit niet lang vol. Meestal zijn konijnen zwijgzaam. Bij angst of verwonding maken ze een hoge gil. Bij alarm slaan konijnen met hun achterpoten om geluid te maken, waarmee leden van de familie worden gewaarschuwd.

Konijn in biotoop.
Konijn in biotoop. Fotograaf: Bart Stornebrink

Fototips

  • Konijnen fotograferen is eigenlijk heel makkelijk. Vanuit de auto of vanonder een kleedje moet het lukken.
  • Konijnen reageren alleen op beweging. Als je maar geduld hebt, komen ze vanzelf op vaste plekken tevoorschijn, bij voorkeur tegen de schemering.
  • Probeer een zo laag mogelijk standpunt in te nemen en wacht af. Vooral op de eilanden bij campings zijn ze vrij tam.
  • Ben je handig met fototraps en flitsers, dan zou je een opstelling kunnen neerzetten bij een actieve konijnenburcht. Het is er s‘nachts een drukte van belang.
  • Fotografeer het konijn ook met verschillende diafragma’s, zodat hij mooi los komt van zijn achtergrond. Of juist met veel scherptediepte, zodat hij opgaat in zijn biotoop. Varieer!
  • En bedenk; waar er één konijn is, daar zijn er meer. Dus neem je tijd. En probeer er meer in je zoeker te krijgen dan een enkel exemplaar.

Verspreidingskaart

Statistieken en verspreiding

Meer weten?

Wikipedia

Zoogdierenvereniging

En dan nog dit!

De eisprong van het vrouwtje wordt door de paring in gang gezet en is ongeveer twaalf uur later voltooid. Vandaar dat zowat alle paringen in zwangerschap resulteren. 60% van de zwangerschappen wordt niet voldragen. De embryo’s kunnen vanaf de 12e dag opgelost worden en door de baarmoederwand in 2 dagen volledig opgezogen. Het is niet geheel duidelijk waarom dit gebeurt. Waarschijnlijk wordt deze “interne abortus” veroorzaakt door een te geringe beschikbaarheid aan eiwit in het dieet. Dit zou ook verklaren waarom wilde konijnenjongen geboren worden tussen maart en augustus. Ze worden 28 dagen lang gezoogd. Het moerkonijn bezoekt de jongen slechts vijf minuten per dag om ze te zogen. Voor de rest van de dag laat ze de jongen alleen in het nest. Ze stopt de ingang van het hol dicht met aarde, gras of dorre bladeren dicht. Zo zijn de jongen beschermd tegen de kou en roofdieren.

Deel dit artikel


0
REACTIES
BEKIJK REACTIES en PLAATS UW REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *