De kwak is een relatief kleine, gedrongen reiger. Zeker in volwassen kleed is de vogel niet met andere Nederlandse soorten te verwarren. De vogel draagt een zwarte mantel en heeft ook een zwarte pet. De overige delen zijn donkergrijs (vleugels) en lichtgrijs (buik een gezicht tot halverwege de ogen). De ogen zijn felrood-oranje. De snavel is redelijk kort voor een reiger. Op de kop zijn een tot vier lange, lichte sierveren aanwezig. De poten zijn geel, behalve in het broedseizoen, wanneer ze rood kleuren. Juveniele dieren hebben een gelige ondertoon op de borst en een bruine rug en vleugels. De buik van jonge dieren heeft donkerbruine strepen, en de rug is bespikkeld met witte vlekken.

De kwak broedt in kolonies nabij ondiep water, dat zoet, zout en brak kan zijn. Het nest wordt gemaakt van takken en bevindt zich meestal in bomen. Kwakken broeden ook wel in gemengde kolonies, met bijvoorbeeld andere reigersoorten, aalscholvers en ibissen. Foerageren is karakteristiek reigerachtig, en bestaat uit zowel het waden in ondiep water, als het ‘wachten’ en uitvallen. De kwak eet dierlijk materiaal, maar is daarin niet kieskeurig: vissen, salamanders, kikkers, insecten en kuikens staan allemaal op het menu.

Dierentuinen
In Nederland is de kwak een zeldzame broedvogel. Nederland vormt de noordelijke grens van het broedgebied van de kwak. De kwakken trekken al vroeg, vanaf juni het land uit, naar Afrika of enkele overwinterplaatsen in het Middellandse Zeegebied. Vanaf maart keren de kwakken weer terug. Echter is het patroon van de migratie van de kwak, samen met het patroon van voorkomen, lastig te monitoren aangezien er flinke populaties kwakken jaarrond voorkomen rondom een aantal Nederlandse dierentuinen (Avifauna, Blijdorp en Artis, waarbij de laatste een echt flinke kolonie huisvest). Dit zijn voornamelijk populaties met kwakken die afstammen van ontsnapte vogels. Geringde nakomelingen van deze populaties worden inmiddels ook in kolonies in Zuid-Europa aangetroffen.










