Hommels zijn onze grootste wilde bijen en iedereen herkent ze wel als hommel. Er is een aantal algemene soorten die je op veel plekken kunt tegenkomen. In Nederland en België zijn bijna 30 soorten hommels beschreven, waarvan een flink aantal helaas bedreigd of geheel verdwenen is.
De weidehommel is daarentegen een algemene soort die ook in stedelijk gebied veel voorkomt. Dat maakt dat je hem onder andere in tuinen altijd wel kunt aantreffen vanaf maart tot augustus.

Kenmerken weidehommel
Het is een gemakkelijk herkenbare soort, waarbij op het borststuk een gele kraag zit en het achterlijf begint ook met een gelige band. Het achterlijf eindigt in een karakteristieke oranje-rode punt. Deze kleur valt direct op bij zowel vrouwtjes als mannetjes. De kleur van de achterlijfspunt is een belangrijk kenmerk bij het determineren van hommels.
Bij de weidehommels is er wel verschil tussen koningin, werksters en mannetjes. Bij werksters ontbreekt vaak de gele tussenband en deze zijn het minst opvallend gekleurd. Mannetjes zijn variabel en soms is er zoveel gele beharing, dat ze bijna geheel geel zijn. Mannetjes zijn daardoor heel fotogeniek.
De weidehommel is een kleine hommelsoort. Werksters en mannetjes zijn ongeveer 10-13 mm groot. De koningin is wat groter.

Wanneer kun je ze treffen?
Al in het vroege voorjaar in begin maart kun je de koninginnen zien. Die zijn dan heel actief om nectar en stuifmeel te verzamelen. Als de koningin een nest heeft gemaakt, verschijnen na een aantal weken ook de werksters. Deze zijn een stuk kleiner dan de koningin en op dat moment blijft de koningin in het nest. Vanaf eind mei verschijnen ook de mannetjes, met een piek begin juni. Dit is een mooie fase voor de fotografie, want de mannetjes zijn prachtig gekleurd. Vanaf augustus zie je de weidehommel bijna niet meer.

In het veld
In Engeland heet de weidehommel ‘Early bumblebee’, omdat ze al heel vroeg in het voorjaar verschijnen. Dat is ook een reden dat je ze veel in tuinen kunt zien, omdat daar doorgaans al bloeiende planten te vinden zijn. De koningin zie je ook op bessen, dovenetel, klein hoefblad, paardenbloem en wilg. In een kruidenrijke omgeving zie je ze later op smeerwortel, ooievaarsbek, braam, allium en klaver.

Ze nestelen zowel ondergronds als bovengronds, maar een nest vind je niet gemakkelijk. Dat kan ook in een composthoop of in een nestkastje zijn. Rond eind mei verschijnen de eerste mannetjes.
Dan zie je gelijktijdig ook de werksters, die vaak al wat afgevlogen zijn met fletse kleuren ten opzichte van de kleurrijke mannetjes. De mannetjes verzamelen geen stuifmeel voor het nest en wachten tot de eerste nieuwe koninginnen uitvliegen. Zij zijn er alleen voor de paring.
















