Oppervlakkig ben je misschien geneigd om ‘koolmees’ te zeggen, als je deze soort niet goed kent. Dat snap ik ergens wel. Net als de koolmees heeft de zwarte mees een zwarte kop met een grote, witte wangvlek. Ook heeft de zwarte mees die witte vleugelstreep. Als je echter goed kijkt, zijn de verschillen haast niet te missen. Ten eerste is de zwarte mees echt een flink stuk kleiner. Verder ontbreekt de ‘zwarte stropdas’ van koolmezen, en zit er geen geel in de buik en geen groen op de rug. Je zou de zwarte mees een ‘kleine, kleurloze koolmees’ kunnen noemen. Dat mag dan wel zo zijn, maar subtiel doet deze dwerg niet onder voor zijn grote neef.

De zwarte mees heeft een leigrijze rug en een bruinwitte buik. De witte wangvlek loopt in een soort komma omhoog, het achterhoofd is wit, en er is nog een tweede vleugelstreep dichter bij de schouder zichtbaar. Verder heeft deze kleine mees een klein kuifje dat bij opwinding opgezet kan worden. Het hoofd is in verhouding flink groter dan dat van een koolmees. Qua grootte komt de zwarte mees meer in de buurt van de glanskop, die dan weer volledig witte wangen heeft, en bovendien een bruine rug.
Foerageren doet de zwarte mees vaak in boomtopjes. De zwarte mees heeft een dun snaveltje waar ze insecten en spinnen mee oppikken. In de winter staan ook zaden van bijvoorbeeld de lariks en sparren op het menu. Op plekken waar de soort voorkomt worden ze met enige regelmaat ook op voedertafels aangetroffen. Broeden gebeurd van april tot en met juni. De eieren worden gelegd in zo’n beetje elk holletje waar het diertje inpast: bomen, nestkasten, maar ook bijvoorbeeld knaagdierholletjes in de grond.
De zwarte mezen zijn redelijk standvastig, al wordt er eens in de zoveel jaar een invasie vanuit het noordoosten waargenomen, als er een voedseltekort optreedt. De soort komt in vrijwel heel Europa voor, met uitzondering van IJsland, noord Scandinavië, en zuidwest Spanje en Portugal.
Het gros van de foto’s in deze soortbeschrijving zijn gemaakt vanuit een fotohut.











