HOME < PRAKTIJK < TUTORIALS
tutorials

Tutorial: lange sluitertijden en ND- of grijsfilter

Vorige week behandelde ik de polarisatiefilter, een filter die een bepaald soort licht wegfiltert. Dat effect is niet na te bootsen in nabewerking en moet nog steeds in het veld worden gebruikt. Maar zo zijn er nog twee filters die je – ondanks alle mogelijkheden van de digitale fotografie en nabewerking – in het veld mee moet nemen. Deze week gaat over de grijsfilter, ookwel ND filter genoemd. Een filter die simpelweg… het beeld donkerder maakt. Waarom zou je dat willen?

Tutorial: lange sluitertijden en ND- of grijsfilter
Lange sluitertijd om de beweging van wolken te laten zien. Het wad op Terschelling. Fotograaf: Johan van der Wielen

Lange sluitertijden…

In de (natuur)fotografie wordt veel gebruik gemaakt van lange sluitertijden. Bewapend met een statief kun je de sluitertijd in theorie zo lang maken als je zelf wil zonder dat je bewegingsonscherpte krijgt van eventuele beweging door de camera. Maar waarom zou je dat willen? Immers, met een korte sluitertijd kun je heerlijk uit de hand fotografen en heb je dat vervelende statief helemaal niet nodig. De huidige digitale camera’s kunnen ook met extreem hoge ISO fotograferen én de resultaten zijn met die hoge ISO ook steeds beter. Je zou zeggen dat er bijna geen noodzaak meer is voor een statief. De nieuwste camera’s kunnen zelfs ‘s nachts uit de hand fotograferen. En toch willen veel (natuur)fotografen juist wel hun sluitertijd verlengen. Waarom?

Bij dit beeld lijkt het niet uit te maken of de sluitertijd kort of lang was… of toch wel? Fotograaf: Johan van der Wielen

In beeld brengen van dynamiek en beweging

Een foto is in essentie een stilstaand beeld. Anders dan bij film kun je in de fotografie geen beweging vastleggen. Denk aan stromend water, langsdrijvende wolken of bewegende bomen. Als dat soort dynamiek en beweging valt weg in een foto. Om als fotograaf de kijker de indruk van beweging te geven kun je delen van je foto ‘bewogen‘ maken, niet door de camera te bewegen maar door met een lange sluitertijd bewegingsonscherpte van het onderwerp te introduceren. Het stromende water veegt uit en er ontstaat onscherpte, bewegende wolken vegen uit of bomen krijgen onscherpte. Het resultaat is dat de kijker de illusie van beweging krijgt en zelf de dynamiek ‘verzint’.

Het schuim draaide heel langzaam in het poeltje. Door de lange sluitertijd van 13″ is het bewogen en verzint de kijker zelf de beweging. Fotograaf: Johan van der Wielen

Beweging juist uitbannen

Door extreem lang te belichten vallen alle kleine bewegingen weg, die zijn te kort om vastgelegd te worden, en blijft alleen datgene zichtbaar wat niet of nauwelijks beweegt. Hoe langer de sluitertijd, hoe meer alleen de grootste en traagste bewegingen overblijven tot zelfs helemaal geen beweging meer. Zo heeft Louis Daguerre (wie? Dat is één van de uitvinders van de fotografie) ooit een foto (Daguerreotypie) gemaakt van van de Boulevard du Temple in Parijs waarop geen verkeer of mensen te zien zijn. Door de belichting van 10 minuten zijn alle snelle bewegingen van langslopende mensen of verkeer niet vastgelegd. Alleen de schoenpoetser en zijn klant bleven lang genoeg stilstaan, zij het iets bewogen. Het is de eerste foto ooit gemaakt waarop ook mensen te zien zijn.

Reflectie in het water op het strand van Ameland. Door de sluitertijd van 1/30 zijn kleine rimpelingen nog steeds te zien. Fotograaf: Johan van der Wielen
Zelfde foto maar nu met sluitertijd van 4 seconden. De kleine bewegingen van het water zijn verdwenen. Fotograaf: Johan van der Wielen

Intensere kleuren

Een laatste reden om je sluitertijd te verlengen is het feit dat kleuren intenser en dieper worden. Veel landschapsfotografen gebruiken dan ook deze techniek voor kleurrijke beelden met verzadigde kleuren.

Bijna 45min. ná zonsondergang zijn de kleuren nog steeds aanwezig maar worden nóg intenser en verzadigder door de lange sluitertijd van 30″. Fotograaf: Johan van der Wielen

Hoe lang zijn lange sluitertijden?

Wat is lang? Bij fotograferen uit de hand werk je met sluitertijden die fracties van seconden duren. We spreken van lange sluitertijden wanneer je eigenlijk niet meer uit de hand kunt fotograferen. Er is geen vastgestelde grens maar vanaf 1/10 sec. gaan we toch echt beweging zien. Die sluitertijd kan dan zo lang als je wilt. Misschien wel 1 sec., misschien wel vele seconden, 30 seconden tot zelfs minuten. Afhankelijk van je doel en snelheid van beweging van het onderwerp zul je gaan kiezen voor een bepaalde sluitertijd.

Het terugstromende water tussen de rotsen is duidelijk bewogen, 4″ belichting was hiervoor voldoende. Fotograaf: Johan van der Wielen

Afhankelijk van snelheid onderwerp

Hoe snel moet de sluitertijd zijn om water te laten bewegen?” Het grappige is dat je daar niet 1-2-3 antwoord op kunt geven. Immers, de stroming van de rivier de Rijn is heel anders dan een waterval op IJsland. Hoe sneller je onderwerp beweegt, hoe minder lang de sluitertijd hoeft te zijn om bewegingsonscherpte en daarmee dynamiek in beeld te brengen. Bij een waterval is misschien 1/10 of 1/2 seconde al voldoende terwijl een langzaam stromende rivier past onscherp begint te worden vanaf 1 minuut belichting.

Een waterval bij Noordkaap gefotografeerd bij verschillende sluitertijden. Welke dynamiek uiteindelijk het mooiste is, is heel persoonlijk. Fotograaf: Johan van der Wielen

En dan is er nog je persoonlijke smaak en doel. Een waterval met extreem korte sluitertijd zal alleen bestaan uit druppels, met extreem lange sluitertijd wordt het water fluweel; alles daartussen zal een overgangsbeeld opleveren. Welke beeld en welke mate van bewegingsonscherpte in de foto komt is afhankelijk van wat jij wil en mooi vindt. Mijn advies daarom: maar een trapje met verschillende sluitertijden van (te) kort tot (te) lang. Dan kun je later in de nabewerking rustig kijken welke het beste bij jouw idee en gevoel past.

Een ‘watervalletje’ met schuim in de Leuvenumse beek, gefotografeerd met verschillende sluitertijden. Uiteindelijk vond ikzelf 2″ het mooiste, wat vind jij? Fotograaf: Johan van der Wielen

Hoe je sluitertijd te verlengen?

Sluitertijd, diafragma en ISO vormen de belichtingsdriehoek, een combinatie van deze drie zorgt voor een bepaalde hoeveelheid licht. Als je bij dezelfde belichting een langere sluitertijd wilt is het dan ook niet voldoende om alleen de sluitertijd op te hogen. Je moet de verandering corrigeren met de andere twee; ISO en diafragma. Door je ISO zo laag mogelijk te zetten (ISO100) en diafragma hoog (bijv. f/22) komt er weinig licht binnen (diafragma) en is er veel licht nodig (lage ISO): de sluitertijd moet daarom lang zijn om voldoende licht te vangen, precies wat je wilde. Hoe moet je dus een sluitertijd verlengen? Lage ISO en hoog diafragmagetal.

In de nacht is een lange sluitertijd geen enkel probleem met zo weinig licht. ISO3200, f/2.8 en 30″. Fotograaf: Johan van der Wielen

Wat is er nog meer van invloed? De huidige lichtomstandigheden! Is het stralend zonnetje midden op de dag dan zal het effect van lage ISO en hoog diafragma getal maar beperkt zijn. Er is dan zóveel licht dat de sluitertijd wel langer zal worden maar wellicht nog lang niet genoeg voor wat jij wilt. Je kunt natuurlijk wachten op andere lichtomstandigheden met minder licht (bewolkt, einde van de dag, na zonsondergang, etc.) maar er zijn ook mogelijkheden om met veel licht toch een lange belichting te kunnen krijgen.

In het stralende zonlicht is een lange sluitertijd om de beweging van de wolken te laten zien een stuk lastiger. ISO100, f/18 en 30″ (met grijsfilter). Fotograaf: Johan van der Wielen

Grijsfilter of ND-filter

Anders dan de eerder beschreven polarisatiefilter filtert een grijsfilter (of ND-filter van Neutral Density) niet een bepaald soort licht (gepolariseerd) weg maar gewoon een deel van al het licht. Hiermee kun je ook onder lichte omstandigheden ervoor zorgen dat er zo weinig licht op de sensor valt dat je wel met lange sluitertijden kunt/moet werken. Deze filters zijn te koop in verschillende sterktes of ‘stops’.

  • 1 stops: wordt 0,3ND of ND2 genoemd en filtert een factor 2 aan licht (deze gebruik je niet vaak)
  • 2 stops: wordt 0,6ND of ND4 genoemd en filtert een factor 4 aan licht (deze gebruik je ook niet vaak)
  • 3 stops: wordt 0,9ND of ND8 genoemd en filtert een factor 8 aan licht (deze wordt veel gebruikt)
  • 4 stops: wordt 1,2ND of ND16 genoemd en filtert een factor 16 aan licht (deze wordt eveneens veel gebruikt)
Zonsopkomst aan de Rijn. Links met alleen polarisatie- en grijsverloopfilter (ISO100, f/11, 1″), rechts met nog extra een 4 stops ND16 filter op 30″. Fotograaf: Johan van der Wielen

Daarnaast zijn er ook nog de zogenaamde ‘big stoppers’, filters die 6, 8, 10 tot zelfs 12 stops aan licht filteren. Bedenk dat 10 stops een factor 1024 aan licht is, dus dat deze filter maar 1/1000 van het licht doorlaat.

Als je zonder filter, bij een bepaalde ISO en diafragma, een sluitertijd hebt gevonden, kun je uitrekenen hoe de sluitertijd verandert bij het plaatsen van een grijsfilter. Bijv. als je 1/50 sec. hebt en je plaatst een 4 stops filter betekent dit dat de nieuwe sluitertijd 16x zo lang wordt: 1/50 -> 1/25 -> 1/13 -> 1/6 -> 1/3 sec. De nieuwe sluitertijd wordt dan dus 1/3 sec. Met een 10 stops filter wordt de nieuwe sluitertijd zelfs 20 sec.

Belichting van 4 minuten door zowel grauwe lichtomstandigheden en een 8 stops grijsfilter (en polarisatie). Fotograaf: Johan van der Wielen

Opschroef, variabel en platen

Grijsfilters zijn in verschillende soorten verkrijgbaar:

  • Opschroeffilters in diverse filtermaten maar met vaste ‘sterktes
  • Variabele filters (soort dubbele polarisatiefilter) als opschroef maar dus met variabele sterkte
  • Plaatfilters als onderdeel van een filtersysteem met houder. De platen, verkrijgbaar in verschillende sterktes, worden in gleuven van de houder geschoven.

Opschroeffilters hebben als voordeel dat ze rechtstreeks op je lens passen en makkelijk zijn mee te nemen. Wel moet je er meerdere hebben als je ze op meerdere lenzen met verschillende lensdiameters wilt gebruiken of je moet gaan werken met zogenaamde step-up ringen. Het nadeel van deze filters is dat combinatie met bijv. polarisatie- en/of grijsverloopfilter erg bewerkelijk is. Je moet dan gaan ‘stacken‘ (filters voor elkaar op de lens schroeven) met het risico op vignettering.

Variabele grijsfilters lijken de perfect oplossing, immers de sterkte is niet vast en je kunt de mate van verduistering zelf instellen door het voorste glaselement ten opzichte van het achterste te draaien. Het grote nadeel is echter dat in een bepaalde hoek van beide glaselementen t.o.v. elkaar een donkere X in het beeld kan ontstaan, een patroon. Dat heeft te maken met de interferentie van beide filters over elkaar, het zijn twee polarisatiefilters die in een bepaalde hoek bijna zwart beeld geven. Alleen de hele dure variabele grijsfilters hebben hier nagenoeg geen last van.

Het typische X patroon wat kan ontstaan bij variabele ND filters. Fotograaf: Henk Muijs
Het verkeerde effect van een variabel ND filter wanneer je die niet goed draait. Fotograaf: Bas Peeters

De plaatfilters worden het meeste gebruikt. Een filterhouder met daarin ruimte voor zowel polarisatie-, grijs- als grijsverloopfilters zorgt voor diversiteit en tegelijk de mogelijkheid om eenvoudig filters te combineren. Vroeger had het merk Cokin het A- en P-systeem waarbij het A-systeem zó klein is dat het tegenwoordig nauwelijks meer bruikbaar is. Het P-systeem wordt nog wel gebruikt (of vergelijkbaar van andere merken) maar is alleen voor cropcamera’s met kleine lensdiameters handig. Het je wat grotere lenzen of meer groothoek dan kom je al snel toe aan het zogenaamde 100mm systeem, filters van 10cm breed. Dan kun je nog kiezen voor resin (kunststof) en glas. Voordeel van kunststof is dat hij niet breekgevoelig is maar wel erg snel krast. Ook heb je – vooral bij sterkere filters zoals de big stoppers – snel kans op vervelende kleurzwemen. Glas heeft daar veel minder last van, is veel harder, krast minder maar is wat duurder en een onvrijwillige kennismaking met bijvoorbeeld een rots zorgt helaas voor een filter-puzzel.

Een grijsfilter in plaatvorm (erachter zit een grijverloopfilter) in een filterhouder voor 100mm filters. Fotograaf: Johan van der Wielen
Extreem lange belichting van 16 minuten met glasfilters (zowel 8 als 4 stops grijsfilter). Nagenoeg geen kleurzweem. Fotograaf: Johan van der Wielen
Zelfde beeld maar nu met 10 stops HiTech kunststof filter. De blauwzweem is er in de nabewerking bijna niet meer uit te halen. Fotograaf: Johan van der Wielen

Welke grijsfilters zijn handig?

Als ik ook al hierboven schreef zul je in praktijk zelden tot nooit werken met een 0,3ND (1 stops) of 0,6ND (2 stops) filter. Dat effect is zo weinig en áls je een filter gebruikt wil je vaak ook dat hij meteen je sluitertijd met een behoorlijk stuk verlengt. Is een 3 of 4 stops filter weer net té sterk dan kun je dat simpel oplossen door je ISO een stop op te hogen. Voor een beperkt effect is een 3 of 4 stops filter het fijnste.

Daarnaast zou je een big stopper kunnen overwegen voor meteen de hele lange sluitertijden of lange belichtingen in lichte omstandigheden. Veel camera’s ‘zien’ alles nog (denk aan autofocus en belichting) door een 6 of 8 stops filter, jij met je oog ook nog. Vanaf 10 stops wordt het voor de meeste camera’s echter té donker om nog belichting te meten of scherp te stellen. Ook zie je zelf vaak weinig meer. Omdat ikzelf niet zo hou van extreem lange sluitertijden én het prettig vind dat de belichtingsmeter nog werkt en ikzelf ook nog wat in het beeld zie, werk ik met een 8 stops filter naast mijn 4 stops. Samen kan ik de hele wereld aan en als 8 stops nog te weinig is kan ik ze altijd nog voor mekaar zetten voor totaal 12 stops.

Camera met plaatfilters in actie. Voordeel van deze houders is dat je meerdere filters tegelijk kunt gebruiken. Fotograaf: Johan van der Wielen

Werken met grijsfilters

Hoe werkt het nou? Eigenlijk vrij simpel. Zo lang de camera nog wat kan ‘zien’ door de filter heen hoef je vrij weinig te doen. Immers, voor de camera is de lichtomstandigheid verandert en hij past keurig zijn belichting erop aan. Zelf werk ik veelal vanuit de diafragmavoorkeuzestand (A of Av, afhankelijk van je merk camera) en stel ik ISO in (laag, je werkt vanaf statief) en diafragma in (afhankelijk van de gewenste scherptediepte). Dan zie ik de resultante sluitertijd. Op basis van wat ik graag als sluitertijd zou willen bekijk ik welke filter ik nodig heb, in mijn geval 4 stops, 8 stops of misschien wel beide. Je zet deze ervoor, laat de camera op nieuw belichten en ziet dat de camera zelf met een veel langzamere sluitertijd op de proppen komt.

Rotskust op Senja, Noorwegen. De camera kan nog prima zelf belichten door ND8 (3 stops) of ND16 (4 stops) grijsfilters. Fotograaf: Johan van der Wielen

Wanneer je echter zóveel verduisterd dat de camera niet goed licht meer kan meten, bijvoorbeeld met een 10 of 12 stops filter, dan zul je zelf de sluitertijd moeten gaan bepalen. In dat geval ga ik naar de stand Manual (M), zet mijn ISO en diafragma erin en bereken vanuit de sluitertijd zonder filter, de nieuwe sluitertijd mét filter op basis van het aantal stops (factoren 2) van de filter. Vind je dit lastig, dan zijn er tabellen of zelfs apps voor te krijgen die dit voor je berekenen zoals Long Exposure Calculator (iPhone) of Exposure Calculator (Android). Maar er zijn vast nog vele anderen. In deze apps kun je alle gegevens invullen van huidige sluitertijd en de filter die je wilt plaatsen waarna de app berekent wat de nieuwe sluitertijd zal zijn.

Met bijna donkerdere filters vanaf ND1024 (10 stops) zul je zelf aan het rekenen moeten gaan. Fotograaf: Johan van der Wielen

Sluitertijd lang of kort? Nee, de ‘juiste’!

Fotografen die zeggen “ik werk graag met lange sluitertijden” vind ik net zoiets als een timmerman die zegt “ik werk graag met een hamer.” Je pakt een hamer als je met spijkers werkt maar als je schroeven gebruikt is een schroevendraaier handiger. Hamer of schroevendraaier zijn nooit het doel maar een middel om een doel te bereiken. Het eigenlijk doel van de timmerman is een kast, raamkozijn of tuinbank. En daarbij hoort het passende gereedschap. Zo ook met sluitertijden. Lange sluitertijden kunnen nooit een doel zijn maar een middel om een bepaalde foto te kunnen maken.

Ik spreek daarom liever over een foto met de ‘juiste’ sluitertijd; een sluitertijd die past bij het doel. Dat kan lang zijn voor het vastleggen van de bewegingsonscherpte van een langzaam bewegend onderwerp, middellang voor snellere beweging tot uiteindelijk heel kort voor het bevriezen van beweging. Met filters maak je dit mogelijk.

Soms moet je sluitertijd juist niet té lang zijn, zoals hier met 1/10″ waarbij je wel wat beweging ziet maar de golf zelf ook nog goed zichtbaar is. Fotograaf: Johan van der Wielen

Fotografen die zeggen “ik hou niet van filters want ik vind dat fluwelen water niet mooi”  hebben het ook niet begrepen. Filters maken water niet tot een waas maar maken onder bepaalde omstandigheden bepaalde sluitertijden mogelijk. Soms heb je ze nodig voor de gewenste sluitertijd, soms niet. Het is als een hamer en een schroevendraaier. Je hebt ze niet altijd nodig maar het is fijn dat je ze bij je hebt voor het geval je moet werken met spijkers…. of schroeven.

Het water hoeft niet per se altijd maar zo glad mogelijk te zijn… maar soms is het wel mooi. 30″ met 8 stops ND-filter. Fotograaf: Johan van der Wielen

Volgende week ga ik verder met de laatste van de drie filters, de grijsverloop- of ND-gradiënt filters.

Deel dit artikel


6
REACTIES
BEKIJK REACTIES en PLAATS UW REACTIE
  1. een zeer begrijpelijke uitleg, bedankt!

    1. dank je wel en veel succes!

  2. Door Theo Voorbij op 8 oktober 2019 om 08:28

    Voor zover ik kan beoordelen erg duidelijk en zorgvuldig omschreven met goede voorbeelden. Mijn dank hiervoor. Uit ervaring kan ik melden dat de Cokin set waardeloos bleek door een enorme magenta zweem. Ik heb nu Breakthrough filters aangeschaft. Een 6 stop ND filter en polarisatie filter. De laatste al positief kunnen testen. Wel prijzig maar gezien de kosten van mijn apparatuur een goede investering.

    1. Klopt, Cokin is van kunststof met enorme kleurzweem, althans het kleine P-systeem. Het grotere Z-systeem is al heel veel beter.

  3. Pachtig uitgelegd.
    Met dank hiervoor.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *