HOME < IN DE ZOEKER < SOORTEN
IN DE ZOEKER

Doorntjes

Krekels, sabelsprinkhanen en veldsprinkhanen kennen we allemaal. Maar er is nog een groep sprinkhanen die minder bekend is, de doornsprinkanen. Die onbekendheid is makkelijk verklaarbaar, het zijn namelijk de kleinste soorten onder de sprinkhanen en ze maken geen geluid. Ze zijn dus erg onopvallend.

Doorntjes
Kalkdoorntje; Long-horned groundhopper; Tetrix tenuicornis Fotograaf: Paul van Hoof
Delen

In de lage landen komen vijf soorten voor. Twee daarvan, gewoon doorntje en zeggedoorntje zijn zeer algemeen. Zanddoorntje is vrij algemeen, kalkdoorntje komt zeer lokaal voor en bosdoorntje is extreem zeldzaam. Doornsprinkhanen danken hun naam aan het halsschild dat in een punt over het achterlijf is uitgerekt. Dat, samen met hun stevige bouw, maakt het tot kleine pantsersprinkhaantjes. Ze kunnen zeer goed springen en sommige soorten kunnen vliegen. De voorvleugels die bij veel andere soorten juist prominent aanwezig zijn, zijn bij doornsprinkhanen gereduceerd tot schubben.

Er zijn twee typen doorntjes, degene met een beetje bolle rug en korte doorn: gewoon doorntje, kalkdoorntje en bosdoorntje. Het zegge- en zanddoorntje daarentegen hebben een platte rug en een doorn die ver achter het lijf uit steekt.

De meest algemene soorten (gewoon en zeggedoorntje) zijn te vinden op vochtige plekken, vaak op schrale en schaars begroeide plekken. Denk daarbij aan oevers van vennen en andere wateren met mossen.

Zanddoorntje zit al op veel drogere plekken, schrale graslanden en heides. Maar het droogst zit het kalkdoorntje. Die is vooral in Zuid-Limburgse mergelgroeven te vinden, maar ook in het rivierengebied.

Vergelijking van de vijf soorten.
Vergelijking van de vijf soorten. Fotograaf: Paul van Hoof

Om ze te vinden kun je het best op geschikte open stukken langzaam schuifelend lopen en naar de grond staren. De dieren springen dan voor je uit. Je zult zien dat er ook veel andere springbeesten zijn zoals cicaden, maar als je even zoekt, vind je ze wel. Een andere methode is door met een vlindernet over de grond slepen.

Doornsprinkhanen kun je in principe het hele jaar door vinden. Anders dan alle andere sprinkhanen kunnen ze in alle stadia overwinteren. Je zult dan ook meestal veel jonge, onvolwassen dieren vinden.

Fototips

Doornsprinkhanen zijn klein: de vrouwtjes zijn 10-12 mm groot, de mannetjes zijn nog kleiner, ongeveer 8-10 mm. Dat vergt het betere macrowerk. Een goede macrolens die tot 1:1 kan fotograferen is wel noodzakelijk. Maar zelfs dan kom je nog tekort. Je kunt bijvoorbeeld tussenringen toevoegen voor nog iets meer vergroting. Raadpleeg hiervoor ook eens de artikelen op deze site over hulpmiddelen macrofotografie (deel 1 en deel 2).

Leg voor een mooi standpunt (ooghoogte en een minder storende achtergrond) de camera op de grond, of gebruik een rijstzak. Een hoekzoeker werkt dan heel comfortabel, maar een opklapbaar schermpje met live-view werkt ook prima.

Om op een dergelijke vergroting nog genoeg scherptediepte over te houden moet je het diafragma flink knijpen, denk aan f/11 of f/16. Ga niet verder dan dat want dan verlies je juist scherpte doordat je buiten het optimum van de lens werkt.

Vanzelfsprekend hou je weinig licht over. Flitsen is dan wel noodzakelijk.

Verspreidingskaart

Verspreiding en statistieken:

Meer weten?

Nederlandse soortenlijst

En dan nog dit!

Dat de dieren moeilijk vindbaar zijn bevestigt de herontdekking van het bosdoorntje. Deze soort werd in Nederland lang als uitgestorven beschouwd. In 2012 werd de soort herontdekt op de Hoge Veluwe. Daar komt een zeer kleine populatie voor.

Het bosdoorntje heeft vaak twee zwarte vlekken op het halsschild.
Het bosdoorntje heeft vaak twee zwarte vlekken op het halsschild. Fotograaf: Paul van Hoof

Deel dit artikel


0
REACTIES
BEKIJK REACTIES en PLAATS UW REACTIE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *